De achterkant van het Darwinisme

Printervriendelijke versieStuur deze tekst naar een bekendePDF versie

De evolutietheorie van Darwin wordt door haar apologeten vaak voorgesteld als absolute, universele waarheid. Zulk een geloof in de resultaten van wetenschap is een goed antidotum tegen week postmodernisme, maar biedt weinig inzicht in het wezen van Darwinisme zelf.

Wie het Darwinistische natuurbegrip vergelijkt met die van het Aristotelianisme, ziet dat zij een totaal andere visie op het individu (zowel menselijk als dierlijk) hebben. Centraal begrip in Aristoteles’ opvatting van de natuur is telos, ‘doel’ of ‘voltooiing’. Ieder levend wezen heeft een potentie om zich om iets te worden. De mens heeft de potentie om redelijk te worden. Dat is waar hij zich mee onderscheidt, wat hem mens maakt. Voor realisatie van die potentie moeten voorwaarden geschept worden. Zo moet er een polis komen, een gemeenschap van mensen die regeren en geregeerd worden. Alleen daarin kan de mens redelijk worden. Vandaar dat hij een zoön politikon is: een dier dat ontplooiing vindt in de polis.

Darwin ontzegt de mens een telos. Daarmee gaat het primaat van de mens verloren. Daarvoor in de plaats komt selectie. De processen van natuurlijke en seksuele selectie hebben bepaald en bepalen nog steeds wie de mens is; wat zijn behoeften zijn; hoe hij het beste kan leven. Niet de levenskracht van de mens staat voorop, maar de macht van supraindividuele processen. De verwantschap van het Darwinisme met het vrije markt-liberalisme is hier niet moeilijk te zien. Beiden stellen de ‘onzichtbare hand’ die boven onze hoofden zweeft voorop. Alle retoriek over ‘individuele verantwoordelijkheid’ ten spijt, moet de mens hier aan importantie inboeten. Het klassiek humanisme dat uit Aristoteles’ teleologische opvatting van de natuur voortkwam, is binnen de kaders van het Darwinisme geen noodzaak meer.

Selectie zoals Darwin die opvat introduceert ook een subjectivistisch element in het denken over de mens. De menselijke soort is aangepast aan bepaalde omstandigheden. Wat hem zoet is, smaakt de andere soort zuur. Aannemend dat selectie soorten doet verschillen kan gesteld worden dat zij ook binnen de soort diversiteit bewerkstelligt. Het universele, absolute Goede is wat mij met mijn unieke genen voordeel levert – of wat hooguit mijn soort ten goede komt.