Burke, Groen en Smytegelt
Groen van Prinsterer (1801-1876), de grondlegger van de christelijk conservatieve politiek in Nederland, had in zijn tijd niet veel op met de mensen die hij zelf beschreef als “conservatieven”. Hij noemde het conservatisme zelfs “de grootste vijand” van wat hij zelf beoogde. Dit wordt niet zelden gebruikt om aan te geven dat Groen een hekel had aan conservatieven en het zelf niet was. Die politici, die Groen aanduidde als “conservatief” waren liberaal en soms anti-religieus: kinderen van de Franse revolutie. Groen was zich er terdege van bewust dat deugdethiek uiteindelijk iet bestand zou zijn tegen het “schutsgevaarte van het ongeloof”, het biedt te weinig waarborg in een apocalyptische tijd.
Groen was in alles een leerling van de bekende Engelse filosoof Edmund Burke (1729-1797), de grondlegger van het conservatisme. Ook hierin. Burke was namelijk dezelfde gedachte toegedaan. Burke kan niet zonder zijn christelijke achtergrond gezien worden, en dat betekent voor veel conservatieven een moeilijkheid. Conservatieven van nu stellen vragen bij de ‘goede mens’, geloven niet in de maakbaarheid der dingen, maar hebben juist oog voor de historisch gegroeide dingen. Kortom, deugdethiek (de vier klassieke deugden zijn voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed) is groots en het belang ervan wordt - ook door christenen - te weinig onderkend. Groter is echter het christelijk geloof, waar deugden eerder genadegaven zijn. Zonder geloof staat alles op spel. Het christelijk geloof was voor Burke de waarborg voor “gezond conservatisme”.
Dit conservatisme werd ook door John Adams (1735-1826) - van hem verscheen kort geleden een in het Nederlands vertaalde biografie - bedoeld. Dat is een ander conservatisme, dan het liberale conservatisme van na de Franse Revolutie, waarin afgerekend werd met religie. Deze twee ‘stromingen’ (liberaal en christelijk) zijn ook in Nederland aanwezig en botsen af en toe.
Is ‘christelijk conservatisme’ dan een contradictio in terminis? Is er een waterscheiding tussen het conservatisme en de christelijke traditie? “Nee”, zo stelde dr. H. Klink onlangs in een lezing over conservatisme in Middelharnis: “Ze komen bijvoorbeeld samen in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament die waarschijnlijk Paulus ook kende en las.” Deugdethiek is belangrijk, dat hebben Herman Bavinck en dr. W. Aalders ook gesteld. De vergeten apocriefe boeken - volgens de vertalers van de Statenvertaling “nuttig” om te lezen - bieden veel aanknopingspunten. De bekende zeventiende-eeuwse theoloog en predikant Bernardus Smytegelt (1665-1739) kon de boeken Jezus Sirach en Wijsheid van Salomo wel waarderen: “wilt gij iets lezen, wij raden u iets aan uit de apocriefe boeken. Maar wij bevelen u de apocriefe boeken niet aan of lees eerst de geleerde voorrede die daarvoor geplaatst is. Lees dan thuis gekomen het vijfde hoofdstuk van het Boek der Wijsheid eens.”
Ook dat is katholieke breedte.



