Waarom goed zijn?

Printervriendelijke versieStuur deze tekst naar een bekendePDF versie

Waarom laten wij de zwakke medemens leven? – dat is de vraag die wij goddelozen moeten stellen. Stel dat onze regering besluit tot een Endlösung van het ‘gehandicaptenprobleem’. Scheelt ons enorm veel geld. Waarom zou ik hier op tegen zijn?

Het meest voor de hand liggende bezwaar is ‘menselijke waardigheid’. Menselijk leven is heilig, dat moet niet het middel zijn tot belastingverlaging, maar juist een doel an sich. Een dwaze tegenwerping. Er is geen grond om mensenlevens niet in te zetten voor een ‘hoger’ doel als militaire verovering of technologische vooruitgang. Tweede bezwaar. Geestelijk gehandicapten kosten geld, maar zijn de samenleving veel waard. Ze zijn liefdevol en zorgend. Hun familie houdt innig van hen. Het zal een financiële Endlösung zijn, maar een emotionele ramp. Goed dan – maar wat als ik, zeg, op een groot landhuis woon, samen met mijn mongoloïde dochter, die ik in het diepst van mijn hart intens haat? Waarom mag ik haar niet wurgen?

Ik dobber in zee. Wanneer ik in het ijskoude water blijf, zal ik binnen enkele minuten sterven. Er is slechts één reddingsbootje, volgepakt met vrouwen en kinderen. Waarom zou ik, een sterke man, hen niet van de boot duwen om zelf te overleven?

Natuurlijk doe ik het niet. Ik ben een moreel wezen. Ik heb compassie met zwakkeren, help mijn medemens waar het kan. Aan die moraliteit kan ik niet ontsnappen. Liever de dood dan de boot. Eigenlijk heel dwaas, als we het spoor van de Darwinistische moraaltheorie volgen. Compassie moet je alleen hebben met familieleden, en/of mensen die mijn gunst in de toekomst kunnen terugbetalen. En zelfs bij de eersten alleen bij diegenen die zich nog kunnen voortplanten, of op andere wijze het overleven van mijn genen kunnen bevorderen. En daartoe behoort niet mijn mongoloïde dochter. Dat ik toch voor haar zorg, is irrationeel. Het is sentiment (liefde) gericht op iets wat het niet verdient.

Dan maar de Nietzscheaanse moraal. Wurg die dochter van je, sleur die vrouwen en kinderen de zee in! Vernietig! Moord! Heers! – Dacht Nietzsche werkelijk dat de Übermensch kon bestaan? Mij lijkt hij alleen mogelijk in de geest van een sociopaat, een solipsist. Wij mindere goden, wij hebben compassie en medelijden tot in de diepste vezel van ons lichaam. Een domheid, die ons vruchteloze inspanning doet leveren voor zaken die niets oplevert? Of de vonk van een goddelijke orde in de ziel van de mens?