Kunst

Printervriendelijke versieStuur deze tekst naar een bekendePDF versie

De PVV heeft niet zoveel op met kunst. Ik kan heel goed begrijpen waarom. Moderne kunst is namelijk abject. Neem een werk als Piss Christ. Voor de lezer die liever geen blasfemie aanschouwt: het is een foto van een crucifix, ondergedompeld in de urine van de kunstenaar.

Dit kunst noemen, is je schuldig maken aan een contradictio in terminis. Want wat is kunst? Mijns inziens het weergeven van werkelijkheid op een wijze die nobel en verheffend is. Dat is de perfectie van Davids lichaam zoals Michelangelo die weergeeft, of het intense verdriet die Fauré in Élegié gelegd heeft.

Wat Piss Christ laat zien is allerminst nobel en verheffend. Het is juist het tegenovergestelde, namelijk ordinair en kinderlijk. Het Christusfiguur wordt met urine besmeurd, omlaag getrokken zonder dat er iets in de plaats voor wordt gesteld. Het doet vermoeden dat achter moderne kunst het Niets schuilgaat.

Waarom accepteren mensen Piss Christ alszijnde kunst? Een verklaring is puur conformisme en kuddegedrag. Zonder enige externe standaard om een goed onderscheid te maken, wordt kunst arbitrair. Het wordt bepaald door de willekeur van de galerijhouder en kunstcriticus hun voorkeuren. Zij katapulteren een kunstenaar richting roem. De eigen bijdrage die hij daaraan kan leveren is een flink stuk excentriciteit en, paradoxaal genoeg, non-conformisme.

Maar wat doet ons Piss Christ tolereren? Waarom wordt het serieus behandeld in de colleges kunstfilosofie die ik volg? Ik denk door relativisme. Wanneer je tussen nobel en vulgair, moreel en immoreel geen onderscheid meer kan maken, is het lijden van Christus aan het kruis niet nobeler dan het lijden van goudvisjes in een blender.

Het feit dat ‘gewone’ mensen, die niet aan relativisme lijden en voor hun brood niet afhankelijk van de machthebbers binnen de kunstwereld, een sterke intuïtie hebben die hen vertelt wat wel en wat niet mooi is, geeft al aan dat esthetiek geen arbitraire constructie is, maar verankert zit in onze spirituele natuur. Net als in moraal wijst het op een hogere werkelijkheid, die doorschijnt in het kunstwerk. Je ervaart het bij Beethoven’s Negende Symfonie, en in een Romeinse kerk als San Carlo al Corso: een werkelijkheid die veel grootser en intenser dan alles wat begeerte kan bieden. Die werkelijkheid is echter goddelijk; ons is het verboden die te zien.