Pas artikel 1 Grondwet aan!

De Nederlandse Grondwet omvat klassieke en sociale grondrechten. Tussen de klassieke grondrechten als de vrijheid van godsdienst, drukpers, vereniging en vergadering is echter ook een artikel verdwaald dat een gelijkheidsbeginsel en een discriminatieverbod omvat. Als je dat artikel leest, vraag je je af wie toch dat onzalige tekstvoorstel gedaan heeft, het blinkt uit in onduidelijkheid. Dat wordt natuurlijk deels ondervangen door de uitwerking in andere wetten, maar het zou goed zijn nog eens ernstig te kijken naar artikel 1 Grondwet, temeer daar er regelmatig - te pas en te onpas - een beroep op wordt gedaan.

Artikel 1 van de Grondwet luidt:
"Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan."

Dit artikel is dus tweeledig, het omvat:
1. Het gelijkheidsbeginsel,
2. Het discriminatieverbod.

Het artikel is oorspronkelijk bedoeld om burgers te beschermen tegen ongelijke behandeling of discriminatie door de staat. In vaktermen: het heeft een verticale werking. We zien echter steeds vaker dat het artikel ook een horizontale werking heeft, dat het wordt gebruikt in de regulering van verhoudingen tussen burgers onderling.

Dit brengt ons bij een aantal problemen met de tweede zin. Inzake het overheidshandelen, volgt de tweede zin (het discriminatieverbod) namelijk uit de eerste (het gelijkheidsbeginsel). De staat moet burgers in gelijke gevallen gelijk behandelen en voor discriminatie is dus geen plaats.

De grondbetekenis van 'discrimineren' is 'onderscheid maken', in het geval van het discriminatieverbod wordt echter evident het 'maken van een ongerechtvaardigd onderscheid' bedoeld.

Discriminatie, helemaal zo gek nog niet
Als we artikel 1 gaan toepassen buiten het handelen van de staat, dus op de rest van de samenleving, lopen we onvermijdelijk tegen problemen aan. Burgers en maatschappelijke verbanden discrimineren namelijk en dat is vaak ook goed en noodzakelijk. Er is dan sprake van gerechtvaardigde discriminatie. Laat ik een paar voorbeelden geven.

Burgers discrimineren bijvoorbeeld bij de keuze van een huwelijkspartner. Mensen maken dan bijv. onderscheid naar afkomst, godsdienst, uiterlijk voorkomen en allerlei voorkeuren, omdat ze hun leven willen delen met iemand die bij hen past. We hebben hier te maken met alleszins gerechtvaardigde discriminatie.

Maatschappelijke verbanden discrimineren bijv. bij hun ledenbeleid. De Christelijke Plattelandsvrouwenbond discrimineert mogelijk op maar liefst drie(!) gronden, maar niemand zal toch willen bepleiten dat die vereniging ook andersgelovige 'stadsmannen' moet toelaten?

De conclusie die we hier moeten trekken is dat discriminatie gerechtvaardigd is als die volgt uit de aard van een vereniging. De tekst van artikel 1 Grondwet maakt geen onderscheid tussen gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde discriminatie, terwijl dat uit het voorgaande wel nuttig blijkt te zijn, maar gaat daarentegen de heilloze weg van een opsomming van gronden. Op die gronden mag dan niet gediscrimineerd worden, om vervolgens te stellen dat dat ook niet mag op niet genoemde gronden, op zijn minst een merkwaardige formulering.

De grondwet zou burgers moeten beschermen tegen ongerechtvaardigde discriminatie, daarbij hoeven geen gronden genoemd te worden, iedere burger verdient immers bescherming. Het komt de samenleving echter ook ten goede wanneer de staat zich niet mengt in andere verbanden in die samenleving, daarom beschermt de grondwet die verbanden tegen de staat. De rechten op vrijheid van vergadering en vereniging zijn immers niet voor niets in onze grondwet opgenomen, ook hebben ze anciƫnniteit (1848) ten opzichte van artikel 1 (1983).
(Wellicht kunnen al die 'liberalen' die in '83 zo enthousiast met artikel 1 Grondwet hebben ingestemd en nu moord en brand schreeuwen over vermeende betutteling door de staat eens het initiatief nemen om wat te doen aan deze ruimte voor betutteling - ik zeg liever staatsinmenging - die dat artikel laat vallen, of past dat niet in jullie populistische straatje Mark, Alexander, Femke?) Maar dat terzijde.

Het probleem van artikel 1 grondwet is dus samenvattend dat het:
1. Geen onderscheid maakt tussen gerechtvaardigde en ongerechtvaardigde discriminatie;*
2. Negeert dat de samenleving niet alleen bestaat uit staat en burgers, maar dat er ook maatschappelijke verbanden zijn, zoals gezinnen, verenigingen, kerken.

Een gewijzigde tekst van artikel 1 Grondwet die met bovenstaande wezenlijke zaken wel rekening houdt, zou als volgt kunnen luiden:

"Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Ongerechtvaardigde discriminatie is niet toegestaan."

Natuurlijk is een grondwetswijziging niet gemakkelijk en zelfs daarmee zijn we er nog niet, we kunnen het ook nog hebben over de Awgb, meldpuntdiscriminatie, Art. 1 (de vereniging), ADB's, CGB, LBR, MDI en voor mijn part geven we de rest van het alfabet 'gelijke behandeling', met andere woorden: wordt vervolgd.

__________
* Overigens is het onderscheid tussen gerechtvaardigde en niet gerechtvaardigde discriminatie wel in enige mate terug te vinden in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), het is dus niet meer dan logisch om in het grondwetsartikel deze verduidelijking op te nemen.