Lijdenstijd Anno 2009

Gelukkig is Christus tweeduizend jaar geleden gekruisigd en niet in onze tijd. Want wat voor lijdensverhaal zou er immers in onze tijd te vertellen zijn? Niets toch zeker? Allereerst is de idee van een mens die ook nog eens God is volgens de meeste theologen een theologische onmogelijkheid – en zelfs een profane absurditeit. Jezus' omgang met Traditie en Heilige Schrift zou van hem al meteen een zogenaamde 'Bijbelfundamentalist' hebben gemaakt. Iemand die niet alleen een Lefebvre-aanhanger tot discipel maakte, maar deze ook tot beoogd leider van de Kerk benoemde: Petrus. En iemand die bovendien werd verraden door een wereldverbeteraar die zijn drang tot ontwikkelingshulp combineerde met zakkenvullerij: Judas. Van het leven van de historische Jezus kan de moderniteit geen chocola maken, ook niet in de lijdenstijd. Het enige wat Jezus Anno 2009 kan doen, is dan ook: terugkomen en oordelen.

Volgens de christelijke traditie bevindt de wereld zich liturgisch gezien in de lijdenstijd, de weken die aan Pasen voorafgaan. Voor de devote meditaties moet u echter in de kerk zijn. Hier stel ik de vraag: wat betekent de aanloop naar Pasen voor de politiekculturele situatie van ons, levend in Europa in 2009 A.D.? Een korte overweging bij wat verzen uit het Evangelie volgens de woorden van de Apostel Johannes, uit het elfde hoofdstuk om precies te zijn.

Johannes 11 is binnen de kerk een bekend hoofdstuk. Vooral het eerste deel. Dat gaat over de opwekking uit de dood van Lazarus door Jezus. In het Evangelie kennen we drie gevallen waarin Jezus een mens uit de dood terughaalt: het dochtertje van Jaïrus, de jongeling van Naïn en ten derde Lázarus. Op weg naar Jeruzalem, waar Jezus Zelf Zijn einde zal vinden van zijn omwandeling op de aarde, komt Hij enkele dagen te laat in Bethsaïda, waar Zijn vriend Lazarus reeds enige tijd in het graf ligt en zijn familie en vrienden in groot verdriet zijn ondergedompeld. Jezus spreekt dan de woorden: "Lázarus, kom uit!" En Lázarus komt uit het graf, tot verwondering van de omstanders.

Maar dan is er een wending in het verhaal. Sommigen geloven in Jezus - zeker na het zien van dit grote wonder. Maar anderen - die blijkbaar hetzelfde hebben gezien - reageren totaal tegengesteld. Om de één of andere reden waren er mensen die ondanks het grote wonder aanleiding zagen om zich te beklagen over deze Jezus. Zij gingen naar de Farizeeën en deze belegden samen met overpriesters een vergadering van de Joodse Raad. We spreken over enkele weken voor Pasen. Terwijl Jezus richting Jeruzalem trekt, belegt dus het Sanhedrin, deze vergadering van Joodse oudsten een vergadering over deze figuur. In totaal zo'n 71 zenuwachtige en bezorgde mannen komen bij elkaar om te spreken over het probleem 'Jezus van Nazareth'. Jezus kreeg steeds meer aanhang onder het volk, en dat verontrustte de elite. Niet alleen de religieus-culturele elite - sadduceeërs en overpriesters - maar ook de economische klasse van de 'Moral Majority' Farizeeërs.

De toonzetting van de vergadering is duidelijk: "Wat zullen wij doen? Want deze Mens doet vele tekenen. Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk." De verontruste joodse burgers die de opstanding van Lázarus uit de dood hadden gezien, reageerden waarschijnlijk op een gelijke wijze als de leden van de Raad. Wie in staat is doden op de wekken uit de dood, is een potentieel gevaar voor de lieve vrede. Want wie niet bang is voor de dood, is ook niet bang voor de onderdrukkers, en niet bang voor moeite en strijd. Het is dus mogelijk dat mensen, ook fatsoenlijke en religieuze mensen, meer onder indruk zijn van de opgelegde rechtsstaat, dan van het leven zelf.

Dus valt er het besluit om Hem te doden. Niet op basis van theologische redenen, maar op basis van andere redenen. De Hogepriester Kajafas spreekt dan de bekende woorden: "Het is ons nut, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga." De Evangelist Johannes vertelt er fijntjes bij: "En dit zeide hij niet uit zichzelven, maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk". Kajafas wilde dus de orde bewaren. Welke orde? Die van de Romeinen en hun rechtsstaat. Om redenen van lijfsbehoud, maar meer nog: om het volk te redden en de godsdienst, om de cultuur en leven van het Joodse volk doorgang te doen laten vinden. Het Jodendom had een zekere uitzonderingspositie binnen het Romeinse Rijk, maar verder was de onderworpen kerk van die tijd gelijkgeschakeld en had ze zich aangepast aan het gezag. Men had zich voor een deel aangepast - was geïntegreerd in de geïmporteerde Hellenistische cultuur. Dit gold vooral voor de sadduceeërs waar ook de priesters uit werden gerekruteerd. Men stond sceptisch tegenover wonderen en profetieën. Deze mensen van de 'High Church' gaven wel om het volk, de wetten (de Thora) en bepaalde rites. Het waren zeg maar de deugden- en waardenconservatieven van die tijd. Men aanvaardde de scheiding van kerk en staat, verwierp alle vormen van geweld die niet waren gesanctioneerd door de Romeinen, en men had zich door diezelfde Romeinen dus zelfs een periodiek hogepriesterschap laten opdringen, ook al was dit tegen de Wet van Mozes waar men zo hoog van opgaf.

Maar goed. Toch kunnen sceptici als Kajafas waardevolle dingen zeggen. Ook al geloven zij niet in profetie, toch kunnen er profetische woorden uit hun mond klinken. We zagen in de Bijbel al eerder iets dergelijks. In het begin van het Evangelie lezen we over de sceptische priester Zacharias. Ook hij geloofde niet in wonderen, profetieën of in engelenverschijningen. Als straf kon hij niet meer spreken, totdat zijn eigen zoon op een wonderlijke wijze werd geboren: uit twee oude mensen, Zacharias en zijn vrouw die voordien kinderloos waren. De zoon van Zacharias, Johannes de Doper, werd een profeet en een voorbode van Jezus. Er is dus hoop voor sadduceeërs en andere sceptische conservatieven. Maar Kajafas is van een ander kaliber. Hij spreekt wel gewoon. En wel woorden van dood. En de ironie is dat hij daarin profeteert van de verlossing van het volk Israël en van alle kinderen van God die verstrooid zijn.

Jezus moest volgens Kajafas worden opgeofferd om de lieve vrede van de Romeinen niet in gevaar te brengen. Jezus, een rabbi uit het huis van koning David. Jezus, familie van Judas de Gallileeër, de terechtgestelde aanvoerder van de Zelotenbeweging. Jezus, de man die alle merktekenen droeg van de beloofde Messias-koning – het volk zou dit later beter aanvoelen toen men “Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israëls!” riep. Deze Jezus moest uit de weg worden geruimd, worden overgeleverd aan de Romeinse rechtsstaat om de vrijheid van de kerk en haar gelovigen te waarborgen. Wanneer de kerk in staat is haar boodschap te verkondigen, armen te helpen, boetvaardig te spreken, en wanneer haar leden nette burgers zijn, hard werken en alle dissidenten tegen de rechtsstaat afvallen, verraden en uitleveren, is de vrijheid van een staat waarin de kerk aan de leiband van de staat loopt, een groot goed.

Het is alsof Dostojewski met zijn verhaal over de Grootinquisiteur naar dit Bijbelgedeelte heeft gekeken. Al draait Dostojewski het in feite om door dit verhaal – waarin een Grootinquisiteur een herverschenen Christus gevangen houdt en ondervraagt – in de mond te leggen van de cynicus Ivan Karamazov. Volgens de Grootinquisiteur is het geloof te brisant, te gevaarlijk voor de massa. De cynici zeggen: hou de massa zoet met een slap aftreksel van religie; het geloof van Christus is er voor de sterken, voor de enkelingen.

In welke godsdienst kan een vijand en moordenaar van God toch een groot profeet zijn? Tegen wil en dank? Waar Romeinen hun handen aftrokken van interne (joodse) godsdienstige kwesties, of zoals Pilatus, zelfs hun handen wasten in onschuld – handen waar bloed aan zat – fietst het christendom door de kunstmatige scheidingen en onderscheidingen van de wereldlijke rechtsstaat heen. Vijanden kunnen profeten zijn; priesters kunnen vijanden zijn. Dit is weliswaar geen regel en rijm; maar de geschiedenis is vol ongerijmdheden.

Juist een denken dat zich geheel verlaat op abstracties als rechtsorde, scheiding van domeinen, je wezen verraden om het geheel te behouden – juist zo’n denken loopt op den duur spaak. De kruik gaat te water totdat zij barst. Zo was het ook met het toenmalige Jodendom. De onderwerping aan de Griekse cultuur en de Romeinse orde plaatste men zichzelf in de marge van het bestaan. Je kunt jezelf voor de gek houden door te doen dat je religieuze vrijheid bezit ondanks het feit dat alle andere vrijheden zijn afgenomen of niets voorstellen. Je kunt dat doen, totdat het dagelijks brood wijkt en er een steen op je bord blijkt te liggen.

In onze dagen is alles opgeofferd aan de illusie van religieuze vrijheid binnen een multiculturele, democratische rechtsstaat. Het bezit stelt vrijwel niets meer voor, het huwelijk is nog niet eens een contract, de kinderen zijn van de staat, de ordehandhaving is tot en met de ‘corrigerende tik’ uit handen genomen van de burger. Het belang om de lieve vrede te bewaren, heeft de orde niet bewaard, maar juist vermoord. Net als toen. De kerk ten tijde van Jezus had het zicht op de dynamiek van de geschiedenis uit het oog verloren. Men was daardoor bang geworden voor het leven zelf, èn voor het geloof zelf. Men sprak wel over een Messias, maar eigenlijk was zo’n Messias een gevaarlijke mogelijkheid waartoe het systeem moest worden toegesloten. In het kader van antiterreurwetgeving moest zelfs het geweldloze van Jezus de mond worden gesnoerd – dan maar met een beroep op politiekcorrecte motieven van vaal lijfsbehoud en van een vuige vrede.

Een kerk, een godsdienst, een volk, een cultuur die zichzelf laat opsluiten in kunstmatige hokken, raakt gedegenereerd. Zoals een Kajafas. Die zo hing aan de rite van het offer, dat hij om de lieve vrede wil maar Gods Zoon Zelf offerde. En het is in onze tijd niet beter en niet anders. Want op de keper beschouwd was het toenmalige Jodendom lang niet zo gedegenereerd als de moderne kerk van onze dagen. Het moderne geloof is zelfs niet sceptisch; het is cynisch, multicultureel aangepast zonder cultuur te erkennen, onderhorig aan een systeem zonder daarbij een duidelijke identiteit te bezitten. Sadduceeërs konden zich nog bekeren, net als Farizeeërs, overpriesters, leden van het Sanhedrin. Moderne theologen bekeren zich niet meer, maar worden alleen maar steeds erger. Laten we dankbaar zijn dat Christus tweeduizend jaar geleden is gekruisigd, en niet in onze dagen. Dit heeft ons bewaard voor veel schandelijkere, platvloersere en schaamtelozere voorstellingen van religieuze aard.

In onze dagen was Jezus allang zijn ambt als rabbi afgenomen vanwege ongeoorloofde uitoefening van religieuze en medische praktijken. Alleen al vanwege zijn afkomst – gelieerd aan radicale, nationalistische verzetsstrijders – zou hij als “guilty by association” zijn afgeserveerd. Zeker nadat zou zijn gebleken dat Jezus zich niet schaamde voor Zijn afkomst en Zich er ook niet van distantieerde. In onze dagen zou er waarschijnlijk niet eens een gesprek zijn geweest tussen Hem en de leiders van het volk, aangezien Zijn bewogenheid zich niet uitstrekte tot de atheïsten van die tijd, tot de naaktlopers, de schandknapen en de homoseksuelen in vergriekste en verwereldlijkte kringen. Wel tot de gewone zondaars: belastingambtenaren en publieke vrouwen. Dat wat wij nauwelijks nog zondig vinden, maar ondertussen tot paria hebben verklaard omdat het vaak geen slachtoffers betreft: overspeligen, dronkaards, jongeren die teveel vuurwerk afsteken, relletjes schoppen, ondernemers die belastingen ontduiken via een sluiproute in Zwitserland. De klassieke zondaar vliegt uit de band terwijl hij het normale leven bewandelt. De moderne zondaar is geen zondaar, maar een slachtoffer; slachtoffer van discriminatie en onderdrukking door traditie, kerk en geloof. Deze moderne slachtoffers bestonden voor Jezus gewoonweg niet, of waren ver weg. Jezus ging nog verder: een zondaar of een tollenaar die zich na herhaaldelijk aandringen niet bekeerde, moest je negeren en de rug toekeren: "Hij zij u als de heiden en de tollenaar" (Matth. 18).

Moderne christenen keren niemand de rug toe, behoudens richting wat traditionalisten. Verder is men bewogen met alle verschoppelingen van deze wereld met een bewogenheid die zelfs een Kajafas oprecht onpasselijk maken. Maar enfin, het verderf kwam ook aan het licht in de persoon van Kajafas. En het is alsof een keerpunt zichtbaar werd in het optreden van deze hogepriester. Alsof er iets van de ultieme zonde duidelijk werd gemaakt: "wie de Heilige Geest weerstreeft, keert zich in werkelijkheid tegen het leven zelf". Het tegenwerken van Gods Geest gebeurde ten tijde van Kajafas door de veiligheid van de Romeinse rechtsstaat boven de komst van de Messias te stellen. Het leven werd daarmee toegesloten. Door de Messias te offeren, zou het volk worden gered. Waar het offer vooral opening moet bieden in een bestaan dat toegesloten dreigt te worden, is het offer van Kajafas een daad die het leven niet moet openen, maar moet toesluiten. Een leven dat is toegesloten, is daarmee een onnut leven geworden.

De gevolgen zijn verschrikkelijk. Door God op te offeren, drijft de kerk de transcendentie uit de wereld. Terwijl ze er niets mee wint, hoogstens iets mee uitstelt. Want het offeren van de Messias mocht de Joden niet baten; slechts enkele decennia later werd Jeruzalem verwoest. Door de slavenmoraal te verheffen tot ware godsdienst raakte men uiteindelijk toch plaats en volk kwijt. De vraag aan ons, aan de kerk, aan hen die de westerse cultuur hoog hebben, is dan ook: hoeveel principes hebben wij ondertussen verkwanseld om te overleven in een tijd van secularisatie en cultureel verval? Hoeveel mensen hebben wij opgeofferd om de lieve vrede wil? Beseffen wij wel dat het denkraam van ons en onze leiders is gedrenkt in een sfeer van onderworpenheid? Generaties van democratisering, van uitbreiding van de zogenaamde moderne rechtsstaat, van aanpassing en onderwerping hebben het denken gecorrumpeerd. Meer nog dan in de tijd van Jezus en van Kajafas, is het werkelijke leven weggeofferd aan de goden van de moderniteit.

Wie in het leven gelooft, is tot gevaar van de rechtsorde geworden. Wie in de opstanding van het vaderland gelooft, is een bedreiging voor de multiculturele maatschappij, voor het ideaal van integratie en voor het toekomstbeeld van een verenigd Europa. Wie in het lijden gelooft, is een belemmering voor de vooruitgang en de humaniteit. Wie niet gelooft dat orde en redelijkheid altijd het laatste woord hebben, moet de mond worden gesnoerd.

Dit zijn Anno 2009 geen loze woorden. Illustratief is de boodschap van Obama die hij in een toespraak in 2006 liet klinken: "Als we Abraham nu op het dak van een gebouw zien zitten, terwijl hij zijn mes omhoog heft, zouden we de politie bellen. We zouden verwachten dat het Department of Children and Family Services Izaäk weghaalt bij Abraham, omdat wij niet hebben gehoord wat Abraham hoorde, we niet hebben gezien wat hij heeft gezien, hoe echt zijn ervaring ook geweest is. Het beste wat we kunnen doen, is handelen in overeenstemming met de dingen die we allemaal zien en horen, zoals algemene wetten of redelijkheid." Het klinkt redelijk. Maar de teneur is: wie handelt volgens geloof en gehoorzaamheid aan God, is gevaarlijk. Obama: "... maar als het de basis wordt van onze politiek, ontstaat er een gevaarlijke situatie".

Hoort u de ondertoon in de woorden van de huidige president van Amerika, zelfverklaard christen van calvinistische snit? Abraham hoefde namelijk zijn zoon niet te offeren, en brak daarmee met de praktijken van het land waarin hij leefde. Zoals de christenen met de abortuspraktijk van de Romeinen braken. Kiezen voor het leven, creëert volgens Obama gevaarlijke situaties. Het is beter om in het belang van algemene wetten en redelijkheid, onschuldige levens te offeren, bijvoorbeeld door christelijke artsen te verplichten abortussen uit te voeren, zoals Obama wil. Laat Abraham zwijgen, laat God zwijgen, laat de kerk beseffen dat de wereld potdicht zit en dat de stem van christus niet gehoord kan worden. Alleen zo mag ze blijven bestaan. Alleen zo is Obama ons goedgunstig. En de andere overpriesters en sadduceeërs. En alleen zo krijgt de kerk uitstel van executie. En het vaderland, en onze cultuur, en het leven zelf.

Ondertussen zijn wij dus beter dan Kajafas en zijn boevenbende. Kajafas offerde een mens om zo het volk te redden. En het was desondanks een vervulling van Gods Woord. Maar wij, wij zijn beter: wij offeren een volk om de mens te redden. Een moderne mens, die niet bestaat, die dus niet kan opstaan uit de dood. Kajafas geloofde nog in het offer en het ambt – al was zijn geloof een gedegenereerd geloof. Wij geloven alleen nog in het slachtoffer, maar daarvoor hebben wij wel eerst de hogepriester doodverklaard. Nee, Jezus mag niet komen, kan niet komen of terugkomen om te oordelen de levenden en de doden. Onze rechtsstaat laat het immers niet toe. Ons moderne kerkbegrip heeft geen ruimte voor Zijn komst. Ons Koninkrijk der Hemelen is een democratie. Wij zijn het slachtoffer, wij zijn het lam dat mag leven onder de goedheid van de ‘keizer’. Al zou Christus nogmaals opstaan uit de dood, nogmaals lijden aan het kruis – laat Hem opstaan, wij zullen Hem doden – laat hem lijden, wij zullen Hem genezen. Meer dan Kajafas is hier.