Gesloten geesten
In de jaren tachtig waren de Amerikaanse universiteiten bastions van progressivisme. De campus radicals leken de laatste restjes warse eigenzinnigheid (vaak belichaamd door een aristocratisch voorkomende heer die nog vond dat literatuur leerschool van het leven is) opgeruimd te hebben. De bibliotheken waren gevuld met Franse coltruifilosofen, duizenden bladzijden vol onbegrijpelijk doch politiek correct gewauwel. Discussies gingen steevast over de culturele logica van het kapitalisme of, spannender, de nieuwste fase van het modernisme, dat zichzelf onderhand ‘post’ vond. All was quiet.
Toen kwam The Closing of the American Mind, een passievolle filippica gericht tegen het zielloze onderwijs op de Amerikaanse universiteiten. Geschreven voor vakgenoten werd het een bestseller, een van de meest besproken boeken van de twintigste eeuw. Allan Bloom, tot dan toe voornamelijk bekend om zijn Politeia-vertaling, sloeg alinea na alinea de stormram tegen het bastion van de linkse academie. Niet alleen werd het campus radicalism met de grond gelijk gemaakt, ook de heilige huisjes van zijn collegae bleven niet staan. Seksisme, racisme, etnocentrisme: stuk voor stuk lege hulzen waarin niets zat dan de verdorven lucht van haat jegens alles wat man, blank en westers was.
Toch ging het Bloom uiteindelijk niet om de ‘verkeerde’ politiek, maar de ziel. ‘Relativism has extinguished the real motive of education, the search of a good life’ schreef hij. Door alle hiërarchie af te schaffen en ‘openmindedness’ tot evangelie te maken, verliest men zicht op wat waardevol en wat waardeloos is. Men trekt zich terug op een eigen eilandje met eigen waarden, subcultuur en levensstijl. Anderen zijn niet meer nodig: waarom nog kennis van het andere begeren als het sowieso niet beter of slechter is dan wat je nu hebt? De beoogde ‘openmindedness’ leidt ironisch genoeg juist tot geslotenheid voor andere werelden die we in grote literatuur en filosofie vinden.
Minder poëtisch doch even relevant is Literature Lost (1997) van John Ellis. Ellis, hoogleraar Duitse literatuur, ageert tegen de radicale sociale en politieke agenda die vooral feministen en postkolonialisten voeren. Niet omdat ze recht tegenover zijn politieke overtuiging staan, maar omdat de geesteswetenschappen (dat zijn, de wetenschappen die zich bezighouden met producten van de menselijke geest) in wezen apolitiek zijn. Literatuur is een open speelveld, waarin vele stemmen spreken over tijdloze onderwerpen als schuld, dood en liefde. Die stemmen proberen te horen is het verbreden van je horizon, het ontstijgen van de beperkingen van de eigen levenssfeer. Laat het argument heengaan waar het wil, zegt Socrates: laat je niet van te voren vastbinden. Dat is precies wat moderne academici doen. In plaats van te luisteren naar wat Plato nu echt zegt, doen ze hem af als een seksist en een racist, nogal een vreemde beschuldiging aangezien de Griekse filosoof de grootste criticus was van eigentijdse mores, en in zijn leven ongelofelijk veel heeft gereisd.
Nog meer dan Bloom gaat Ellis in op alle beschuldigingen van seksisme, racisme, etnocentrisme en ‘klassedenken’ aan het adres van het Westen. De Westerse beschaving, zo wijst Ellis keer op keer aan, wordt juist gekenmerkt door een fundamenteel twijfelen aan de maatschappelijke orde, aan eigen cultuur, aan zelfs de goden. Dat is ook wel het tragische. Twijfel kan doorslaan naar afwijzing van de eigen overtuigingen, waardoor je kwetsbaar wordt voor extreme opvattingen die geen ruimte overlaten aan onzekerheid. Wie teveel twijfelt, kan morgen niet meer twijfelen. Dat is wat de academische radicalen de afgelopen jaren wel hebben laten zien.



